Posts tonen met het label betrokkenheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label betrokkenheid. Alle posts tonen

dinsdag 22 april 2014

Open deur!


Soms lijkt het me wel iets om de deur van de klas te laten open staan terwijl we aan het werk zijn.  Zeker wanneer de temperatuur wat hoger wordt en de lente om de hoek komt piepen.  Op zulke dagen kan wat extra zuurstof de hoofden fris houden.  Sinds begin dit schooljaar waag ik het er dan ook wel eens op om met open deur instructie te geven of het inoefenen te laten aanwakkeren met frisse lucht.  De eerlijkheid biedt me wel te melden dat mijn klas de op die van de zorgjuf na laatste klas van de gang is.  Een stukje schoolgang waar gewoonlijk niet al te veel verkeer is.  Toch dacht ik voorheen dat het de afleiding van buitenaf was die me tegenhield de klasdeur open te laten.  Een leswissel, pratende kinderen op de gang, de haklaarsjes van een vrouwelijke collega,... .  Tot het moment dat de deur eens bleef open staan.  Spontaan.  Verwonderlijk welk gevoel dat gaf: ruimte!

Ook het onderwijs is niet vreemd van modewoorden.  Beroepeigen termen met een lading vol wijsheid.  Regelmatig wordt er mee gesabeld om ideeën kracht bij te zetten.  Je hoort ze voor de eerste keer en denkt: "Bonk erop!".  Mediawijsheid, gamification, geflipte klas, bring your own device,... .  Zo ook de 'krachtige leeromgeving'.  Een leerklimaat dat openheid uitstraalt.  Waar de kracht 'm zit in het samen op weg gaan om doelen te bereiken.  Het gevoel waarover sprake was er een die me dit leek te versterken.  Die open deur hield me fris. Alert ook.  Het zorgt voor een dosis transparantie.  Een term waar het onderwijs in zijn ultieme betekenis nog sterk in kan groeien.  Regelmatig bots ik nog op een drempel die er niet hoeft te zijn.  Ouders die de weg naar school wel kennen maar ergens onderweg blijken te stranden.  Toegegeven, met een open klasdeur zal je dat hele drempelprobleem niet gaan oplossen.  Maar het zou toch schoon zijn: kinderen volop in hun leerproces, een enthousiaste leerkracht/begeleider vooraan (of beter: ertussen) en de ouders die hun meest schatbare bezit kunnen zien groeien.  Misschien zelfs mee op weg gaan in de denk- en leefwereld van hun kroost. 

Terug met beide voeten op de grond, in de klas.  De spontane actie van mezelf leverde niet zo veel op.  De deur werd na een tijd terug dichtgedaan.  Even spontaan.  Tijdens het inoefenen.  Niet vanwege de koude of zachte bries.  Ze zijn het niet gewend.  Mijn schuld. 

Ik moet het vaker doen, de deur laten open staan.  Ik hou vol!  Het houdt ons fris en alert.  Het zorgt voor een open sfeer.  Een die kan evolueren naar het misschien wel toekomstig onderwijs.  Een milieu van open leercentrum.  Want leren kan overal.  Wie zijn deur daar niet voor open zet, zal m.i. Beperkt zijn in zijn leren.  Want leren kan altijd en overal!

maandag 2 december 2013

Boekjes maken

Kinderen leren lezen.  Het is haast niet voor te stellen hoe geweldig dat is.  Het laat ze toe om zelfstandig verhalen te beleven.  Er bestaat toch niets mooiers dan je fantasie elke keer opnieuw te kunnen verrijken.  Sinds we vorig schooljaar de leesbevordering extra in het daglicht stelden op school, werden we ons er nog meer van bewust dat lezen veel meer is dan enkel het verklanken van een geschreven tekst.  Kinderen interesse doen krijgen in verhalen, hun woordenschat en communicatieve vaardigheden versterken en hun taalgevoel aanwakkeren.  

Al vanaf de vierde aangeleerde letter (s) kunnen onze leerlingen in principe hun eerste zelf ontstane woord lezen: m...i...s... .  Hun ogen gaan open.  Ze staan versteld van zichzelf.  Dát moment, wat bij elk kind op een ander tijdstip komt, is het begin van een nieuw hoofdstuk.  Het maakt de kinderen meer zelfstandig, rijker.  Het staat ze toe de verbeelding in geschreven tekst te zien.  En te begrijpen.  Erg waardevol om daarvan deel te mogen uitmaken.

Het leesproces verloopt niet bij alle kinderen even snel.  Niet iedereen is meteen mee met de automatische synthese van letters en het correct verklanken van woorden.  Toch kunnen we ervoor zorgen dat boekjes ook hen erg aanspreken.  Sinds begin van dit schooljaar startten de eenaatjes met het zelf maken van boekjes.  Bij elk thema krijgen ze kans om hun ervaringen te tekenen op een A-vijfje.  Terwijl zij daarmee aan de slag zijn, maak ik een voorblad.  Alle tekeningen worden na verloop van tijd gebundeld, zodat ze een boekje vormen.  Het valt me op dat de kinderen, vaak tijdens vrije momentjes in de klas, verder tekenen aan hun bijdrage voor het themaboekje.  Wanneer hun prent klaar is, wordt die aan mij bezorgd.  



In de zithoek is er naast de plaats met de klassieke leesboekjes nu ook een hoekje voorzien voor die themaboekjes.  Tijdens het leeswerk wordt er regelmatig in 'gelezen'.  Alle prenten bij elkaar vormen een bron van creatieve verhalen.  De eenaatjes worden er door uitgedaagd om hun fantasie een level hoger te doen krijgen.  Ze vinden het fijn om de verhalen die ze maken aan de hand van andermans tekeningen aan elkaar te vertellen.  De collectie van boekjes is ondertussen uitgebreid genoeg om telkens opnieuw verrast te worden.  Bovendien stellen de boekjes hen in staat om terug te blikken op de vorige thema's.  Het enthousiasme tijdens het werken met de zelfgemaakte boekjes geven zowel de kinderen als mezelf een ontzettende boost om een nieuw themaboekje te maken.  Eenvoudig, maar zo zinvol!

zondag 6 oktober 2013

Al zingend het jaar rond!

Tijdens de infoavond, aan het begin van het schooljaar, probeer ik de ouders gewoonlijk te waarschuwen voor mijn zangtalenten.  "Verwacht van mij niet dat de kinderen aan het eind van het schooljaar constant op perfecte toonhoogte zullen kunnen zingen."  Mijn muzische kwaliteiten situeren zich duidelijk ergens anders.  Tijdens het zingen primeert het enthousiasme.  Want wie zingt, is vrolijk.  Wie vrolijk is, die zingt.  Die zit trouwens ook goed in zijn vel.  En laat dat nou net zo belangrijk zijn in het onderwijs.  Met kinderen die zich gelukkig voelen, is zoveel te bereiken in de klas.  Het belang van muziek in het onderwijs kan niet genoeg benadrukt.  Al vaker schreef ik over passief muziek beleven.  

Sinds dit schooljaar starten onze eersteklassers met een wekelijks klaslied.  Elke week een nieuw muziekje.  Elke week een nieuw lied. Parallel met de thema's van de leerstof.  Starten deden we met het populaire vliegerlied.  Een heerlijke meezinger en -danser.  Alle remmen los, net als alle armen en benen.  "Het is weer een mooie dag!", luidkeels door het schoolgebouw.  De eenaatjes enthousiast.  Zo zie ik ze graag.  "Wanneer horen we het klaslied nog eens, meester?", is ondertussen al een vaak gestelde vraag.


Vorig schooljaar al worstelde ik met een wekelijks lied in de klas.  Een muzikale rode draad doorheen de week.  Herkenbaarheid voor de kinderen.  Vrolijkheid in de klas brengen.  Tijdens de voorbije vakantie begon mijn zoektocht naar gepaste liedjes voor zesjarigen.  Liedjes die aansluiten bij onze thema's.  Waarvan de tekst en melodie niet al te moeilijk zijn.  Op YouTube vond ik al snel mijn ding.  Om de gepaste liedjes snel te kunnen terug vinden, verzamelde ik ze op een yurls.  Elk klaslied plaatste ik alvast in een maand om zo het ganse schooljaar de klasliedjes goed te kunnen terugvinden.  Van elk klaslied vind je op de yurls ook een fiche met de tekst die de kinderen mee naar huis kunnen nemen.


Elke week een nieuw lied.  Ons klaslied.  Maandagochtend zijn de eenaatjes al stilaan nieuwsgierig naar het nieuwe klaslied.  De voorstelling ervan hoort ondertussen al bij de weekopening.  We gebruiken 'm niet enkel om zo maar vrije momentjes te vullen.  We stoppen ons werk wanneer het klaslied door de luidsprekers galmt.  Wanneer we onze spullen opruimen, hebben we de tijd tot het lied is afgelopen.  De kinderen die al klaar zijn, bekijken het filmpje en zingen mee.  Wanneer de rij vertrekt door de gang, zingen we allemaal samen erg zachtjes ons klaslied.  Eenmaal op de speelplaats barst de zangstonde los.  Leuke blikken van andere leerlingen.  Zingen brengt sfeer mee.  Wie het kent, zingt mee.  We genieten ervan.  En laat net dát zo enorm belangrijk te zijn bij de muzikale lessen.


10 tips waarom je zou zingen in de klas:
  1. Je kan er niet omheen: zingen maakt je vrolijk!
  2. Zingen maakt ook slimmer.  Dat blijkt uit tal van onderzoeken.
  3. Door te zingen, krijgen kinderen - net als bij het beluisteren van verhalen - een grotere woordenschat aangeboden.
  4. Op gepaste tijden liedjes zingen brengt structuur in de dag.  
  5. De kinderen komen op een andere manier in contact met taal: het ritme, de melodie, het rijmen en de intonatie zijn vaak belangrijke factoren in liedjes.
  6. Kinderen die samen zingen, ervaren samenhorigheid.  Het zingen bevordert de klassfeer.  Kinderen voelen zich verbonden met de klas en de medeleerlingen.
  7. Zingen bevordert de luister- en concentratievaardigheden van de kinderen.
  8. Liedjes zingen geeft zelfvertrouwen.  Zo voelen kinderen zich beter in hun vel, waardoor het leren beter zal gaan.
  9. Door te zingen worden kinderen zich meer bewust van communicatieve vaardigheden.  Het tempo, volume en ritme zijn belangrijk bij zowel zingen als een gesprek met iemand anders.
  10. Tenslotte is zingen ook goed om het geheugen te trainen.  De tekst steeds opnieuw zingen, niets vergeten.  Zowel bij refrein als de verschillende strofes.

BRONNEN:

maandag 13 augustus 2012

Speel-goed met techniek

Volledig toevallig rolde ik anderhalf jaar geleden met veel interesse in het domein techniek in de lagere school. Het belang van de juiste invulling ervan kan niet genoeg herhaald worden. Onderwijzers hebben de mogelijkheid om de kinderen kansen te geven zichzelf beter te leren kennen in verschillende vakgebieden. Daarbij wordt vaak terecht in eerste instantie gedacht aan de kernvakken taal en wiskunde. Maar uiteraard zijn we er ons van bewust dat ook de andere vakken van enorm belang zijn om kinderen zich juist te kunnen oriënteren. De muzische en wereldoriënterende domeinen mogen in het klasgebeuren niet in de schaduw blijven. Om kinderen zichzelf, hun kwaliteiten en wensen beter te leren kennen, dienen ook deze vakken zinvol ingevuld te worden. 

Techniek dus, om hen onder meer al van jonge leeftijd in contact te brengen met de brede waaier aan keuzemogelijkheden op latere leeftijd.  Van jongs af aan komen kinderen er al volop mee in contact.  Zelfgemaakte Duploconstructies, een Bob De Bouwerfilmpje, rijdende autootjes, rollende knikkers...  Van zo gauw een kind kan spelen, komen er heel wat technische prikkels op hem af.  Het is al vaak gebleken dat kinderen door het spelen ook heel wat leren.  Door kleine foutjes te maken tijdens het spelen, mislukken de zaken die ze voor ogen hadden wel eens.  Waardoor het spel enigszins aangepast herhaald wordt.  Zo groeit het spontane leerproces.  De kleine foutjes van weleer worden achterwege gelaten, zodat een nieuw doel kan worden opgesteld.  Een proces zonder eind.

CONSTRUCTIEF
In een meer geknutselde situatie kan spelen ook in de klas bijdragen aan het technisch leerproces.  Verschillend speelgoed kan ideaal ingezet worden tijdens de lessen techniek.  Uiteraard denken we dan in de eerste plaats aan het ruime assortiment constructiespeelgoed.  Met Duplo, Lego, K'nex, Clicx, SmartMax of Meccano kunnen heel wat technische doelen bereikt worden.  Kinderen leren een technisch plan lezen, kunnen stappenplannen volgen en leren vooral door ervaringen met hun handen op te doen.  De technische kansen van dit constructief spel zijn niet te onderschatten. Toch zijn het niet steeds enkel de mogelijkheden die het speelgoed interessant maken, maar ook de beperkingen ervan.  De geringe aangeboden materialen en hulpmiddelen verwachten de nodige creativiteit van de bouwer.  Maar toch kan er blijvend mee gespeeld worden, doordat steeds dezelfde onderdelen telkens opnieuw en op een andere manier gebruikt kunnen worden.  De producenten van dit constructief speelgoed zijn zich zeker bewust van de educatieve waarde ervan.  Vele hebben een speciaal voor het onderwijs ontworpen lijn ontwikkeld die ze maar al te graag aan de scholen willen promoten (Lego Education, K'nex Education, ...).


WE SPELEN EEN SPEL!
Wie echter verder kijkt dan enkel het daartoe bedoelde constructiespeelgoed zal ook in verschillende gezelschapsspelen de juiste technische doelen kunnen zien.  In tegenstelling tot het vrij spel van het hierboven vermelde speelgoed, hebben gezelschapsspelen een vaste structuur.  Ze zijn gebonden aan spelregels waaraan je je dient te houden.  Hierbij is dus niet zozeer het creatieve denkproces van belang.  Maar eerder de maatschappelijke doelen als zich kunnen houden aan vooropgelegde regels en werken naar een bepaald doel.  Een gezelschapsspel kent een winnaar en verliezer, waardoor kinderen zich ook van hun meest sportieve kant kunnen laten tonen.  De meeste gezelschapsspelen die ingezet kunnen worden, beperken zich (net als het constructief speelgoed) enkel tot de gebieden constructie en fysica).  Dat kan echter beperking zijn om ze niet in de klas te gebruiken tijdens de technieklessen.  

Jenga.gifEen eerste spel waaraan ik denk is het bekende Jenga van MB.  Jengel is een denk- en behendigheidsspel waarbij de spelers om de beurt een blok uit de toren halen en die er weer bovenop leggen.  Zo ontstaat in de loop van het spel een steeds hogere en instabielere toren.    Van dit spel bestaan heel wat afgeleiden.  Zo zijn er ook online games en Arcade games van gemaakt.  De gemaakte toren is een samenstelling van 54 gelijke blokjes die in 18 lagen van 3 blokjes is gestapeld.  De spelers vertrekken hierbij alvast van een technisch systeem (de toren) en hanteren de onderdelen ervan om een nieuw systeem te maken met vooropgelegde eisen (de toren in hoogte uitbreiden).  Enkele meer recente gezelschapsspelen die aan bod kunnen komen tijdens de technieklessen zijn: Vallende Aapjes, Bert Bever, Muizenval, Make 'n Break, Stef Stuntpiloot, Villa Paletti, Wadi, Sjakie de Schildpad, Angry Birds, Ahoi! En Bill & Betty Bricks.  Zelfs het alombekende spel Pisa, waarbij de spelers blauw gekleurde ventjes op de verschillende platformen van de toren van Pisa plaatsen, kan een plekje krijgen tijdens een techniekles.


vrijdag 25 mei 2012

Een rivier vol krokodillen


Tijdens mijn opleiding tot onderwijzer leerde ik een les starten vanuit een probleem.  Zo wordt vaak het doel van de les meteen duidelijk voor de kinderen.  Dit probleem mag al eens uitdagend zijn.  Het zou kinderen aan het denken moeten zetten.  In 'het grote échte leven' is het vaak niet anders. Regelmatig worden we geconfronteerd met problemen die op het eerste zicht haast onoverkomelijk lijken.  Door intensief na te denken komen we een stap dichter bij de oplossing en het uiteindelijke doel.  Het zelf oplossen van een probleem stelt ons in staat dat probleem een volgende keer doelgericht aan te pakken. 

Ik stel mijn kinderen nog steeds graag problemen voor.  Tijdens eender welk vak begin ik de lessen veelvuldig met een probleemstelling.  Door dit wat meer leven te geven, worden ze wakker geschud.  Een verhaal dat zo uit de realiteit gegrepen lijkt toevoegen aan het probleem is meestal een kleintje.  Het effect hiervan is echter niet te onderschatten. De kinderen vliegen er met vol enthousiasme in.  Alsof hun leven ervan afhangt, soms. 

De polyvalente hal op school was een brede rivier vol met hongerige krokodillen.  De nietsvermoedende eenaatjes stonden gewillig te wachten aan de oever van die rivier.  Klaar om hun opdracht te aanhoren. Ze kregen alvast de opdracht niet op de rubber vloer te staan, zich zo onzichtbaar mogelijk op te stellen aan de rand van de zaal.  Terwijl ik de stoelen klaar zette, kreeg ik enkele wel gepaste 'uhs?' rond mijn oren geslingerd.  De nieuwsgierigheid geprikkeld trakteerde ik hen op een op het eerste zicht onhaalbaar probleem: "Bereik met z'n 17 de overkant van de rivier zonder ook maar een voet in het water te zetten. De zeven stoelen die klaarstaan, mag je hiervoor gebruiken."

Al vaker werkten de kinderen in groepjes samen. Partnerwerk en groepswerk met 3 of 4  is ons niet onbekend.  Soms waagden we ons al wel eens aan een werk met de ganse klas.   Maar nog nooit was het probleem zo groots. De hoofden begonnen duidelijk zichtbaar te werken.  Er werd al voorzichtig iets voorgesteld aan enkele medeleerlingen.  Al gauw ontaardde dit in een door elkaar gepraat, mekaar overtreffend in volume.  Tot B. opperde dat ze er zo zeker niet zouden uitgeraken. Ze moesten wel naar de overkant, hè.  De  start was gemaakt.  De kinderen bespraken in groep het probleem. Een voor een deden ze een voorstel tot oplossen van dat probleem.  Het ene al haalbaarder dan het andere.  Elkaar voorttrekkend terwijl ze op de stoelen liggen, leek zelfs mij minder ideaal.  Ik mengde me bewust niet in het gesprek.  Observeren was mijn taak. Mezelf uiteraard bewust van de meest gunstige oplossingsweg.  Een inleidende samenwerking tussen een groepje van vier kinderen, maakte voor de andere heel wat duidelijk.  Tijd voor actie.

De stoelen werden op een rijtje gezet, enkele kinderen waagden zich hier op.  De stoelenrij werd langer, waardoor ook anderen de stap zetten.  Sommigen moesten worden overtuigd om de 'brug' te betreden.  Duidelijk onder de indruk van de rivier vol krokodillen.  Terwijl een grote groep waaghalzen zich al op de denkbeeldige brug bevonden, hielden anderen hun voeten liever droog.  Ze werden aangemoedigd het er toch op te wagen.  Spontaan kwamen de hulpacties op gang.  De iets bangere kinderen  werden op een stoel geholpen en gesteund, zodat ze er zeker niet zouden afvallen.  Alle kinderen aan boord, alle stoelen bezet.  "Meester, wij hebben meer stoelen nodig!" Probleem twee deed zich voor.  Er werd geopperd om de stoelen wat verder uit elkaar te plaatsen.  Onmiddellijk afgekaatst door enkele anderen die zeiden dat ze dat nooit zouden kunnen halen.  Na opnieuw lang heen en weer overleg, kwam de trein dan eindelijk toch in gang.  De kinderen maakten zich klein.  Sommigen zaten op hun hurken, hielden elkaar vast of stonden op de tippen van hun tenen.  Vele motiverende woorden vlogen rond onze oren.   De boodschap dat écht iedereen de overkant moest halen, werd duidelijk begrepen.

Het werd een woelige tocht over de rivier met veel "whoepsen", "helps" en "oh-oohws".   E. waagde het er toch eens op zijn tenen nat te maken, moest terug en werd behulpzaam
terug bij de groep gebracht door F.  Wanneer we de helft van de zaal bereikten, was ons glas eerder halfvol dan halfleeg.  Door actief samen te werken, mekaar ondersteunend en
de moed niet te verliezen, bereikten we de overzijde.  Het gejuich was oorverdovend toen iedereen op de oever terechtkwam.  Iedereen vol lof over zijn eigen bijdrage aan de groep.  Ook de anderen werden niet vergeten. De groepsgeest was niet te onderschatten.  Wat eerst een niet te behalen opdracht leek, werd een "we hebben dat toch maar mooi voor elkaar gebracht"-gevoel.  Supertrotse gezichten.  Fier op hún prestatie. 

Het was duidelijk dat ze genoten hebben van de opdracht.  "Maar heb je er ook iets van bijgeleerd," was mijn slotvraag.  Wat oorspronkelijk bedoeld was als tussendoortje, bleek een heel leerproces op gang te zetten.  De meest onverwachte antwoorden kwamen mijn richting uit. Deze gingen niet over natte voeten of krokodillen.  "Iets moeilijks lukt toch, als je maar probeert," vond ik een heel mooie samenvatting van het oplossen van het probleem.  Gevolgd door: "We kunnen heel veel van elkaar leren;" en "stoelen zijn sterk, want die kunnen ons allemaal dragen.".  Maar het was toch de teamgeest die hen het meest bijbleef.  Ze hebben zichzelf overtroffen.  Als groep.

woensdag 7 maart 2012

Wat gaan we leren? #2

We zijn op school om te leren.  Daarover bestaat in onze klas geen twijfel.  We zitten tenslotte in het 1ste LEERjaar.  We leren lezen, schrijven en rekenen en zijn ons daar volop bewust van.  Voor deze drie kernvakken wordt bij ons de basis gelegd om tijdens de verdere (school)loopbaan mee aan de slag te kunnen.  De kinderen worden vaardigheden aangebracht.  Deze zijn eerder op het kunnen gebaseerd dan op het kennen of weten.  Vaak wordt in de klas herhaald waarom de kinderen deze vaardigheden krijgen aangeboden.  Leren lezen is nuttig.  Regelmatig brengen we het belang ervan in de kijker tijdens het technisch leesproces.  Door de leerstof en het leren geregeld in vraag te stellen, geven we kinderen inzicht in de bruikbaarheid ervan.  


Voor rekenen, lezen en schrijven wordt in menig klas een vast stramien gevolgd.  De leerlijnen liggen vast, de opbouw is duidelijk.  Af en toe afwijkend van de methode, maar de basislijnen hiervan zullen grotendeels gevolgd worden.  Wat de muzische vakken en wereldoriëntatie betreft, is er meer ruimte voor eigen inbreng.  Hoe de lessen worden opgevuld, welke thema's aan bod komen en hoe aan de leerplannen voldaan wordt, is meestal de keuze van de leerkracht.  Na het inschatten van de interesses en leefwereld van de kinderen kunnen de onderwerpen gekoppeld worden aan de leerplannen en eindtermen van het vakgebied.  De lessen kunnen echter rijker gemaakt worden door de keuze aan de kinderen over te laten.


In eerste instantie schrikken kinderen bij de vraag: "Wat willen jullie nu leren?"  Ze zijn niet gewend aan de inspraak in het leerproces op school.  Het geeft hen de kans verantwoordelijkheid op te nemen en meer inzicht in hun zelfkennis.  Bovendien zorg je voor een grotere betrokkenheid tijdens het leren.  




Wij startten vorige week het thema 'in de ruimte'.  Tijdens het inleidende klasgesprek kondigde ik het nieuw WO-thema aan, wat meteen laaiend enthousiast onthaald werd.  Honderduit vertelden de eenaatjes hun kennis over de planeten, het heelal, de zon en de aarde.  De doelstellingen uit het leerplan waren al bereikt nog voor het thema startte.  Het deed me grijpen naar een vraag die ik in de klas, naar eigen gevoel, nog te weinig stel: "Wat willen jullie leren over het thema?"  Verbaasde gezichten staarden me aan.  Niet lang daarna kreeg ik de meest verwonderende vragen teruggekaatst.  Ze wilden wel eens weten waarvoor die magneet in de aarde eigenlijk dient.  Ook interessant is, zo werd gesteld, hoe het is om op de maan rond te lopen.  Hoe ver gaat de ruimte eigenlijk?  Waarom draait de aarde?  Hoe kan het dat we soms maar een stuk van de maan zien?  Hoe komt het dat de zon groter lijkt dan de sterren, maar eigenlijk kleiner is?  Ongelooflijk veel interessante vragen, die ik voor het starten van het thema niet aan bod wilde laten komen, maar veel zeggen over de onderzoekende houding van de kinderen.  We losten tijdens het klasgesprek al enkele van de vele vragen op door ze aan elkaar te stellen.  Wat de één weet, kan anderen van hun vragen afhelpen en omgekeerd.  We leerden van en met elkaar.  We vulden elkaar aan met weetjes en informatie. 


Al gauw werd voorgesteld om ruimteboeken van thuis mee te mogen brengen.  We zouden een ware ruimtebibliotheek opstarten in de klas.  Elk moment vrij betekent tijd om in de ruimteboeken te snuisteren, op zoek naar sprekende afbeeldingen en extra informatie.  Zo leerden de eenaatjes al zelf dat hond Laika het eerste dier was in de ruimte.  Hij overleefde de reis jammer genoeg niet.  Met meelijwekkende interesse kreeg ik de foto onder mijn neus geduwd.


Nog meer informatie kunnen we halen van het internet.  's Werelds grootste bibliotheek.  Op verschillende sites gingen we op zoek naar ruimteweetjes allerhande.  De eerste man op de maan, de draaiingen van de aarde en de maan, de verschillende planeten, ... .  Ze hebben voor ons geen geheimen meer.  We gebruikten ook Google Earth om een beeld te kunnen vormen van de aarde, gezien vanuit de ruimte.  Ook de maan en de planeet Mars konden we bekijken.  


Bij het hoekenwerk werd ook een informatiehoek opgebouwd.  Alle weetjesboeken over de ruimte lagen er ter inzag.  Daarbovenop beschikten de kinderen in de infohoek ook over een laptop.  Met behulp van QR-fiches gingen ze op zoek naar antwoorden op hun vragen.  Een activiteit die ik nu voor de 2de maal in de klas breng en opnieuw erg enthousiast werd onthaald.  De kinderen zochten gericht naar info, gingen verbanden zien tussen de info uit de boeken en deze uit de filmpjes.  Er werd over gepraat tijdens het bekijken en lezen.  De vraag of we iets hadden bijgeleerd hiermee, bleek overbodig.  Natuurlijk!  De gevonden antwoorden passeerden de revue.  Gekoppeld aan nóg meer informatie over de zon, maan, planeten en sterren.  


Naast alle weetjes en kennis opgedaan te hebben, hebben de kinderen natuurlijk ook een enorm proces afgelegd tijdens deze activiteiten.  Ze gingen zelfstandig op zoek naar antwoorden op hun eerder gestelde vragen.  Ze stelden zichzelf de vraag wat ze graag wilden bijleren.  Hun interesseveld werd afgetast.  Ze weten dat en waar ze informatie kunnen opzoeken en kunnen die bronnen raadplegen.  Wanneer kinderen zelf op zoek gaan naar informatie, zullen ze deze ook moeten kunnen filteren naar relevantie.  Het geeft hen de nodige verantwoordelijkheid en inspraak in hun eigen leren.  


Wat begon met een onschuldige vraag ("Wat willen jullie leren?") leverde naderhand bekeken een heel rijk leerproces op.  Kinderen leren van en met elkaar en weten hoe ze op zoek kunnen gaan naar antwoorden.


Interesse in de printklare versie van de QR-fiches?  Stuur me gerust een mail.

donderdag 12 januari 2012

Hulp gevraagd? Hulp geboden!

HULP GEVRAAGD?
Kinderen die elkaar iets leren, is mooi om zien. Ze zijn oprecht trots dat ze een klasgenoot iets kunnen bijbrengen. Of zijn fier dat ze dankzij een ander kind iets nieuws kunnen.  In de klas laat ik sterke rekenaars regelmatig oefeningen uitleggen aan kinderen die de oefeningen (nog) niet begrijpen.  Voor de uitlegger is het nuttig alle stapjes in zijn hoofd te herhalen en deze te verwoorden.  Voor het kind dat geholpen wordt, is de extra uitleg van een leeftijdgenoot soms duidelijker dan die van een leerkracht.  Zij spreken tenslotte dezelfde taal.  Een win-winsituatie, die ook de leerkracht meer mogelijkheden biedt om beter gedifferentieerd te werk te gaan.  Hierdoor krijg je de kans om de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben volop bij te werken.  Je hebt de tijd om met materiaal de leerstof opnieuw voor te leggen of om opnieuw terug te grijpen naar de oorspronkelijke instructie.  


HULP GEBODEN!
Belangrijk voor het helpen is dat alle kinderen precies weten wat helpen inhoudt.  Het kan niet de bedoeling zijn dat de helper alles zo maar gaat voorzeggen.  Helpen is op gang brengen.  Een manier uitleggen die tot het juiste resultaat komt.  Zowel de helper als de geholpene moeten bewust zijn van dat belang.  Door iemand op de goede weg te zetten, verwacht je dat diegene nog wel het werk heeft om met de geboden uitleg zélf het resultaat te bekomen.  Vergelijk het met iemand die aan jou de weg komt vragen.  Door de weg duidelijk toe te lichten zal deze op het juiste punt terechtkomen.  Hierbij wordt nog enige denkactiviteit en actie verwacht.  Je kan echter ook de hele weg meewandelen tot het doel, waardoor de wegvrager meer aandacht heeft voor jou dan voor de af te leggen weg.  Hierdoor loop je het risico dat je de volgende keer opnieuw dezelfde vraag krijgt.  


EN DE LEERKRACHT DAN?
Die wil zich er zeker niet van af houden!  Naast het gevoel van voldoening bij het zien van kinderen uit zijn klas die elkaar iets kunnen bijbrengen, heeft de leerkracht zijn handen vrij om kinderen die dat écht nodig hebben te begeleiden.  Tijdens zelfstandige rekenopdrachten verdeel ik mijn klas vaak in drie of vier groepen.  Er is een groep van wie ik weet dat zij de oefeningen, na de nodige instructie, volledig zelfstandig kunnen maken.  Zij mogen na het maken van een blad of opdracht (naargelang de afspraak) hun oefeningen zelfstandig verbeteren.  Deze groep is meestal ook het eerst klaar, zodat die de oefeningen alvast heeft gezien en gemaakt waar de andere groepen aan bezig zijn.  Een tweede groep werkt ook volledig zelfstandig.  Zij kunnen hulp vragen aan de eerste groep.  De taken worden zelfstandig verbeterd.  Na het verbeteren, laten ze hun oefeningen nog aan mij zien.  Zo krijg ik een idee van hoe de oefeningen verlopen en waar de kinderen zijn.  Indien er nog een fout is, wordt hierop gewezen en wordt er eventueel een kind van groep 1 bijgehaald.  De kans dat ik dan analoge oefeningen klaar heb, is groot.  Een derde groep werkt in de buurt van mij, zodat ik hun concentratie en betrokkenheid nog kan observeren en eventueel bijsturen.  Ze werken echter wel zelfstandig aan de taken.  Hun opdrachten worden door mij verbeterd.  Indien ze een vraag hebben, roep ik er voor hen een helper bij.  Een laatste groep oefent meer in groep, samen met mij.  Zij hebben nood aan verlengde instructie.  Nood aan extra inoefening.  Aan concreet materiaal...  


Tijdens het werken op deze manier voel ik een soort werkrust.  De kinderen zijn gemotiveerd door de interactie met elkaar.  Er mag al eens van de plaats gekomen worden.  Om te verbeteren.  Om te helpen.  Zonder elkaar te storen, natuurlijk.  Tijdens het werken hebben we vaak onze time timer aanstaan.  Zodat het voor de kinderen duidelijk is hoe lang we nog te werken hebben.  De rust komt er ook door actiever met een klein groepje aan de slag te kunnen.  Te weten dat de hele klas toch geobserveerd en opgevolgd wordt.  Tijdens het werken, houd ik alles bij op een klaslijst.  Elke oefening, iedere vooruitgang, elke uitbreiding probeer ik zo te bewaren.  Eventueel om kinderen naar andere groepen te laten overgaan.  De samenstelling hiervan is enorm flexibel.  Niet gebonden aan tijd.  Het is een veranderend proces.  Net als het leren zelf.

maandag 5 december 2011

Samenwerken werkt!

DAAG ZE UIT!
Het kan niet de bedoeling zijn dat we kinderen te moeilijke oefeningen voorschotelen. Toch is soms een net iets moeilijkere oefening nuttig voor hen als uitdaging. Ze leren er een probleem door aanpakken en stil staan bij wat ze al wél kunnen. Om zulke problemen te kunnen oplossen, worden ze uitgedaagd net iets verder na te denken dan ze gewoon zijn. Ze staan stil bij hoe ze dat zullen aanpakken. Waardoor ook het proces, en dus niet alleen het product, van het leren in de verf wordt gezet.  Kinderen die een probleem krijgen voorgeschoteld worden verplicht om hun kennis te benutten en te bundelen.  "Welke informatie en kennis heb ik nodig om dit te kunnen aanpakken?"




Om voor kinderen dit proces nog belangrijker te maken, kunnen ze ook samenwerken aan een opdracht. Zo zullen ze met elkaar overleggen, in dialoog gaan met elkaar. Natuurlijk is het van belang dat alle partners hun inbreng hebben, zodat ze na het oplossen weten hoe ze in het vervolg zulke problemen moeten aanpakken.




SAMEN KAN JE MEER DAN ALLEEN
Vaak blijkt samenwerken op jonge leeftijd niet zo eenvoudig.  Vijf- en zesjarigen zijn nog vooral bezig met hun eigen wereld.  Het is voor hen vaak een opgave om zich te schikken naar de wensen en noden van andere kinderen.  Alle begin is moeilijk.  Toch is het nuttig om kinderen al vanaf hun jonge jaren te laten samenwerken.  Klein beginnen is echter de boodschap.  Door hen te laten partnerlezen bijvoorbeeld, ontdekken ze de sterkte van samen aan een taak te werken.  Door de interactie van beide partners tijdens dat lezen, wordt veel nadruk gelegd op het leerproces.  De kans dat fouten of vergissingen sneller verbeterd worden, is zoveel groter.  Met z'n twee een opdracht volbrengen, bezorgt de kinderen ook een verantwoordelijkheidsbesef.  Ze moeten er zelf voor zorgen dat ze beide aan hetzelfde onderdeel bezig zijn.  Het ene kind zal misschien wat tempo moeten terugnemen, terwijl van het andere kind verwacht wordt dat hij wat meer uptempo moet werken.  Kinderen die verwachtingen voelen, nemen vaker een taak serieus.  Hierdoor zullen ze ook proberen om aan de verwachtingen te voldoen.  

Wanneer het partnerwerk al goed is ingeburgerd in de klasgroep, kunnen er groepjes gemaakt worden van 3 of 4 kinderen.  Mijn ervaring heeft echter al uitgewezen dat het vormen van deze groepjes niet te gauw mag gebeuren.  Kinderen moeten eerst goed vertrouwd zijn met hun rol in het samenwerken.  Pas wanneer ze zich volledig thuis voelen in het luisteren naar elkaar, elkaar volgen en rekening houden met elkaar, kan het groepswerk worden uitgebreid.  

LEREN SAMENWERKEN
Als eerste groepswerkactiviteit stel ik altijd een eenvoudige puzzel voor.  Ik kies hier doelbewust voor een eenvoudige puzzel, die ik meestal zelfs aan de collega's van de kleuterschool ga vragen.  Het doel van deze activiteit ligt niet op het puzzelen, maar op het samenwerken.  De kinderen zullen de opdracht tot een goed einde brengen en beseffen dat het samenwerken hierbij een voorname rol had.  De puzzelstukjes worden verdeeld waardoor elk groepslid evenveel puzzelstukjes krijgt.  Bij een puzzel is het voornaam dat we eerst de hoek- en randstukjes leggen.  Wie deze heeft, legt die.  Elk kind mag enkel zijn eigen puzzelstukjes nemen en leggen.  Een belangrijke afspraak die voorkomt dat er onbewust een leider in het team wordt gevormd.  



Op deze manier krijgen alle teamleden evenveel inspraak in het verwezenlijken van de taak.  Samen staan ze voor de uitdaging om de puzzel te maken. Ze zullen op elkaar moeten rekenen zodat ze bewust zijn van hun afhankelijkheid van de andere groepsleden.  Daarnaast moeten ze ook hun eigen verantwoordelijkheid nemen voor het slagen van de proef.  Het is bij samenwerkopdrachten natuurlijk de bedoeling dat kinderen met elkaar in interactie gaan.  Door over de taak te praten, komen ze samen tot het resultaat.  Voor jonge kinderen is het vaak nog moeilijk om anderen te overtuigen.  Als leerkracht hebben we hierbij de taak de kinderen te stimuleren.  Zij die minder taalvaardig zijn, kunnen even goede (en misschien betere) ideeën hebben dan de taalrijke groepsleden.  Een leerkracht die zijn klas kent, weet vooraf welke leerlingen hij zal moeten aanmoedigen en erbij betrekken.  Wij kunnen hen leren argumenteren.  Waarom vind jij dat dat zo moet?  Wat is het voordeel ervan?  Waarom kom je zo tot resultaat?  

WERKT SAMENWERKEN?
Wanneer de opdracht volbracht is door de groep, is de taak nog niet ten einde.  Er moet nog teruggeblikt worden op de samenwerking.  Een niet te onderschatten onderdeel van de les.  In deze evaluatiefase beoordelen de leerlingen zelf hun eigen vaardigheden en die van de groep.  Gerichte vragen van de leerkracht bieden kinderen de kans om hun opdracht opnieuw te beleven en ze naar waarde te schatten.  Er wordt gepeild naar het behaalde resultaat, maar zeker ook naar het proces dat hiernaartoe leidde.  Door hierbij stil te staan, begrijpen de kinderen wat goed en minder goed ging in hun groep.  Daardoor zullen ze het volgende groepswerk hun eigen handelen aanpassen aan hun evaluatie.  

Hoe begon je aan de opdracht?  Wie nam het eerst initiatief?  Hoe heb je anderen overtuigd?  Zijn er zaken waarmee je het niet eens was?  Wat heb je daarmee gedaan?  Heeft iedereen evenveel inbreng gehad in het komen tot resultaat? Wat had je graag anders gezien en gedaan?  Ben je tot een goed resultaat gekomen?  Wie heeft er goed samengewerkt?  Heb je naar anderen geluisterd?  Wat heb je geleerd tijdens dit samenwerken?  Kan je dat ook tijdens andere situaties gebruiken?  Waarom vond je samenwerken moeilijk/gemakkelijk?  Hoe heb je andere kinderen kunnen helpen?  Waarbij kunnen we nog samenwerken?  Waarom is samenwerken belangrijk?