vrijdag 25 mei 2012

Een rivier vol krokodillen


Tijdens mijn opleiding tot onderwijzer leerde ik een les starten vanuit een probleem.  Zo wordt vaak het doel van de les meteen duidelijk voor de kinderen.  Dit probleem mag al eens uitdagend zijn.  Het zou kinderen aan het denken moeten zetten.  In 'het grote échte leven' is het vaak niet anders. Regelmatig worden we geconfronteerd met problemen die op het eerste zicht haast onoverkomelijk lijken.  Door intensief na te denken komen we een stap dichter bij de oplossing en het uiteindelijke doel.  Het zelf oplossen van een probleem stelt ons in staat dat probleem een volgende keer doelgericht aan te pakken. 

Ik stel mijn kinderen nog steeds graag problemen voor.  Tijdens eender welk vak begin ik de lessen veelvuldig met een probleemstelling.  Door dit wat meer leven te geven, worden ze wakker geschud.  Een verhaal dat zo uit de realiteit gegrepen lijkt toevoegen aan het probleem is meestal een kleintje.  Het effect hiervan is echter niet te onderschatten. De kinderen vliegen er met vol enthousiasme in.  Alsof hun leven ervan afhangt, soms. 

De polyvalente hal op school was een brede rivier vol met hongerige krokodillen.  De nietsvermoedende eenaatjes stonden gewillig te wachten aan de oever van die rivier.  Klaar om hun opdracht te aanhoren. Ze kregen alvast de opdracht niet op de rubber vloer te staan, zich zo onzichtbaar mogelijk op te stellen aan de rand van de zaal.  Terwijl ik de stoelen klaar zette, kreeg ik enkele wel gepaste 'uhs?' rond mijn oren geslingerd.  De nieuwsgierigheid geprikkeld trakteerde ik hen op een op het eerste zicht onhaalbaar probleem: "Bereik met z'n 17 de overkant van de rivier zonder ook maar een voet in het water te zetten. De zeven stoelen die klaarstaan, mag je hiervoor gebruiken."

Al vaker werkten de kinderen in groepjes samen. Partnerwerk en groepswerk met 3 of 4  is ons niet onbekend.  Soms waagden we ons al wel eens aan een werk met de ganse klas.   Maar nog nooit was het probleem zo groots. De hoofden begonnen duidelijk zichtbaar te werken.  Er werd al voorzichtig iets voorgesteld aan enkele medeleerlingen.  Al gauw ontaardde dit in een door elkaar gepraat, mekaar overtreffend in volume.  Tot B. opperde dat ze er zo zeker niet zouden uitgeraken. Ze moesten wel naar de overkant, hè.  De  start was gemaakt.  De kinderen bespraken in groep het probleem. Een voor een deden ze een voorstel tot oplossen van dat probleem.  Het ene al haalbaarder dan het andere.  Elkaar voorttrekkend terwijl ze op de stoelen liggen, leek zelfs mij minder ideaal.  Ik mengde me bewust niet in het gesprek.  Observeren was mijn taak. Mezelf uiteraard bewust van de meest gunstige oplossingsweg.  Een inleidende samenwerking tussen een groepje van vier kinderen, maakte voor de andere heel wat duidelijk.  Tijd voor actie.

De stoelen werden op een rijtje gezet, enkele kinderen waagden zich hier op.  De stoelenrij werd langer, waardoor ook anderen de stap zetten.  Sommigen moesten worden overtuigd om de 'brug' te betreden.  Duidelijk onder de indruk van de rivier vol krokodillen.  Terwijl een grote groep waaghalzen zich al op de denkbeeldige brug bevonden, hielden anderen hun voeten liever droog.  Ze werden aangemoedigd het er toch op te wagen.  Spontaan kwamen de hulpacties op gang.  De iets bangere kinderen  werden op een stoel geholpen en gesteund, zodat ze er zeker niet zouden afvallen.  Alle kinderen aan boord, alle stoelen bezet.  "Meester, wij hebben meer stoelen nodig!" Probleem twee deed zich voor.  Er werd geopperd om de stoelen wat verder uit elkaar te plaatsen.  Onmiddellijk afgekaatst door enkele anderen die zeiden dat ze dat nooit zouden kunnen halen.  Na opnieuw lang heen en weer overleg, kwam de trein dan eindelijk toch in gang.  De kinderen maakten zich klein.  Sommigen zaten op hun hurken, hielden elkaar vast of stonden op de tippen van hun tenen.  Vele motiverende woorden vlogen rond onze oren.   De boodschap dat écht iedereen de overkant moest halen, werd duidelijk begrepen.

Het werd een woelige tocht over de rivier met veel "whoepsen", "helps" en "oh-oohws".   E. waagde het er toch eens op zijn tenen nat te maken, moest terug en werd behulpzaam
terug bij de groep gebracht door F.  Wanneer we de helft van de zaal bereikten, was ons glas eerder halfvol dan halfleeg.  Door actief samen te werken, mekaar ondersteunend en
de moed niet te verliezen, bereikten we de overzijde.  Het gejuich was oorverdovend toen iedereen op de oever terechtkwam.  Iedereen vol lof over zijn eigen bijdrage aan de groep.  Ook de anderen werden niet vergeten. De groepsgeest was niet te onderschatten.  Wat eerst een niet te behalen opdracht leek, werd een "we hebben dat toch maar mooi voor elkaar gebracht"-gevoel.  Supertrotse gezichten.  Fier op hún prestatie. 

Het was duidelijk dat ze genoten hebben van de opdracht.  "Maar heb je er ook iets van bijgeleerd," was mijn slotvraag.  Wat oorspronkelijk bedoeld was als tussendoortje, bleek een heel leerproces op gang te zetten.  De meest onverwachte antwoorden kwamen mijn richting uit. Deze gingen niet over natte voeten of krokodillen.  "Iets moeilijks lukt toch, als je maar probeert," vond ik een heel mooie samenvatting van het oplossen van het probleem.  Gevolgd door: "We kunnen heel veel van elkaar leren;" en "stoelen zijn sterk, want die kunnen ons allemaal dragen.".  Maar het was toch de teamgeest die hen het meest bijbleef.  Ze hebben zichzelf overtroffen.  Als groep.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen